Aansprakelijkheid en schade

aansprakelijk

Aansprakelijkheid en schade

Wanneer is iemand aansprakelijk voor de schade van een ander en welke schade dient dan vergoed te worden?

Als een partij aansprakelijk is voor schade van een ander, dan ontstaat een betalingsverplichting ten aanzien van schade die in causaal verband staat met de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis. Voor het vaststellen van causaal verband dienen twee fasen te worden doorlopen. In de vestigingsfase, dient de benadeelde partij aan te tonen dat sprake is van het conditio sine qua non (csqn)-verband. Als de csqn-fase succesvol wordt doorlopen, dan volgt fase twee, de omvangsfase. In die fase dient de benadeelde aan te tonen dat de schade aan de gebeurtenis kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 Burgerlijk Wetboek (BW).

Voor het bewijs van het csqn-verband is geen honderd procent zekerheid vereist. Een redelijke mate van waarschijnlijkheid is voldoende. Als het csqn-verband niet eenduidig is vast te stellen dan kan het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid soms uitkomst bieden, zo oordeelde de Hoge Raad voor het eerst in 2006 (Nefalit/Karamus). Als proportionele aansprakelijkheid wordt aangenomen, dan ontstaat een verplichting tot schadevergoeding in evenredigheid met de in een percentage uitgedrukte kans dat sprake is van het csqn-verband. De Hoge Raad grondt de proportionele aansprakelijkheid op de aan de artikelen 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten.

Toepassing van proportionele aansprakelijkheid is een uitzondering op de regel dat pas aan artikel 6:98 BW wordt toegekomen zodra het csqn-verband vaststaat. Van deze uitzondering mag slechts terughoudend gebruik worden gemaakt, aldus de Hoge Raad. Bovendien dient toepassing ervan in overeenstemming te zijn met de aard van de normschending en de aard van de schade. Voor de billijkheidscorrectie is na toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen plaats meer. De proportionele aansprakelijkheid zelf is namelijk al op de redelijkheid en billijkheid gebaseerd.

De reden dat van de Hoge Raad terughoudend moet worden omgegaan met toepassing van de proportionele aansprakelijkheid is dat hij wil voorkomen dat partijen aansprakelijk worden gehouden voor (een deel van) de schade die zij mogelijk niet hebben veroorzaakt. Aan de andere kant heeft de Hoge Raad door het aannemen van proportionele aansprakelijkheid gemeend dat het evenzeer onwenselijk is dat de onzekerheid over het causaal verband geheel voor rekening van de benadeelde komt.

Tot slot wordt de proportionele aansprakelijkheid vaak in één adem genoemd met het leerstuk van de gemiste kans. Daarbij bestaat – anders dan bij proportionele aansprakelijkheid – geen onzekerheid ten aanzien van het csqn-verband, maar ten aanzien van de kans dat er schade is geleden. De leer van de gemiste kans wordt bijvoorbeeld toegepast in zaken waarin een advocaat een beroepstermijn laat lopen. In dergelijke zaken bestaat er een csqn-verband tussen de fout en de ontnomen kans op een beter resultaat. De vraag is vervolgens echter of het redden van de beroepstermijn daadwerkelijk zou hebben geleid tot een gunstiger uitkomst. Met andere woorden: is er wel schade geleden? Die vraag wordt volgens de leer van de gemiste kans procentueel benaderd. Voor toepassing van de leer van de gemiste kans is geen terughoudendheid geboden (Deloitte/H&H Beheer).

Ook in het geval de aansprakelijk op grond van het leerstuk van de gemiste kans vaststaat, dient de gevorderde schade nog langs de lat van art. 6:98 BW gelegd te worden. Het gaat dan om de exacte omvang van de schade, de werkelijke definitieve schade, die in dit soort zaken per definitie in onzeker causaal verband met de geschonden norm staat. Er bestaat daarbij niet één causaliteitscriterium, het kan variëren met de omstandigheden. Het komt erop neer dat niet langer één criterium (redelijkerwijs voorzienbaar), wordt gehanteerd, maar een weging van relevante gezichtspunten, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade, aard van de overtreden norm, de voorzienbaarheid, de aard van de gedraging en de overige omstandigheden van het geval, die slechts in hun onderling verband bezien tot een antwoord op de toerekeningsvraag leiden.

Aard van de aansprakelijkheid
Met betrekking tot de aard van de aansprakelijkheid valt te denken aan: A. Aansprakelijkheid gebaseerd op schuld tegenover die buiten schuld; in het eerste geval zal eerder toerekening plaatsvinden dan in het tweede geval. B. Aansprakelijkheid uit de wet tegenover die uit overeenkomst; C. Aansprakelijkheid voor menselijke handelingen tegenover die voor schade door dieren of zaken toegebracht.

Aard van de overtreden norm
Met betrekking tot de aard van de overtreden norm heeft de hoge Raad te kennen gegeven dat de aard van de overtreden norm een relevante factor voor toerekening is, met name in die zin dat bij schade waartegen de norm nu juist bij uitstek wil beschermen aan de voorzienbaarheid minder vergaande eisen behoeven te worden gesteld.

Aard van de schade
Met betrekking tot de aard van de schade is het de vraag of het gaat om een schade die geacht kan worden te behoren tot de kenmerkende gevolgen van de desbetreffende normschending of gebeurtenis.

Voorzienbaarheid van de schade
Met betrekking tot de voorzienbaarheid van de schade: het onder het oude recht wel gehanteerde criterium, of de schade het redelijkerwijs te verwachten gevolg van de gebeurtenis was, heeft ook onder het huidige recht nog een belangrijke functie te vervullen. De wet eist dan ook een zodanig verband tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust en de schade, dat deze hem als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Een duidelijke omschrijving van het vereiste verband in termen van waarschijnlijkheid is echter bewust achterwege gelaten. Hierbij is vooral gedacht aan gevallen waarin op de grond van de aard van de aansprakelijkheid en van de schade ook bij een geringe mate van voorzienbaarheid tot vergoeding dient te worden geconcludeerd. In abstract ook, bij overigens gelijke omstandigheden, kan echter nog altijd worden gezegd dat naarmate een bepaalde schadepost meer als het, naar objectief inzicht, redelijkerwijs te verwachten gevolg van de gebeurtenis kan worden beschouwd, toerekening eerder op haar plaats zal zijn.

De aard van de gedraging
Met betrekking tot de aard van de gedraging: naarmate de schuld van de gedraging groter is, zal toerekening eerder kunnen plaatsvinden. Indien met grove schuld onrechtmatig is gehandeld rechtvaardigt dat een ruimere toerekening dan bij minder verwijtbaar handelen.

Overige relevante omstandigheden
Met betrekking tot overige relevante factoren: sommige omstandigheden waarvan het niet onredelijk lijkt dat zij in bepaalde gevallen kunnen meewegen, zijn moeilijk onder één van de bovengenoemde factoren te brengen. Te denken valt aan de schade die beroeps-of bedrijfsmatig, dan wel juist in het kader van particuliere, al of niet in belangeloze, dienstverlening is toegebracht. In het eerste geval zal toerekening eerder kunnen plaatsvinden.

Vragen over het bovenstaande? Neem dan contact op met Sørensen Advocaten. Bel: 010-2492444

Harry Voermans
voermans@sorensenadvocaten.nl
Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.