20 jul Wetsvoorstel Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief: Wat betekent dit voor opdrachtgevers
De Eerste Kamer heeft op 16 juni 2026 ingestemd met het wetsvoorstel waarmee een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst wordt ingevoerd op basis van een laag uurtarief. Daarmee wordt het voor laagbetaalde zelfstandigen eenvoudiger om te stellen dat zij feitelijk werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst.
Het rechtsvermoeden is bedoeld om kwetsbare werkenden aan de basis van de arbeidsmarkt beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid. Voor opdrachtgevers betekent dit dat zij nóg kritischer moeten kijken naar de manier waarop zij zelfstandigen inzetten, zeker wanneer sprake is van lagere uurtarieven.
Discussie over schijnzelfstandigheid
De positie van zzp’ers staat al langere tijd in de belangstelling. In veel sectoren wordt structureel gewerkt met zelfstandigen, terwijl de feitelijke samenwerking soms sterk lijkt op een arbeidsovereenkomst. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin een zelfstandige langdurig voor één opdrachtgever werkt, vaste werktijden heeft, wordt aangestuurd door leidinggevenden en nauwelijks ondernemersrisico loopt.
In zulke gevallen kan de vraag ontstaan of daadwerkelijk sprake is van zelfstandigheid, of dat de samenwerking toch kwalificeert als arbeidsovereenkomst. Dat onderscheid is belangrijk. Indien sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan heeft de werkende dezelfde bescherming als een werknemer. Denk aan loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen, ontslagbescherming en mogelijk ook deelname aan een pensioenregeling.
Ook voor opdrachtgevers kunnen de gevolgen groot zijn. Als achteraf blijkt dat een zelfstandige eigenlijk een werknemer was, kan dat leiden tot fiscale correcties, arbeidsrechtelijke aanspraken en pensioenrechtelijke risico’s.
Wat houdt het nieuwe rechtsvermoeden in?
Het aangenomen wetsvoorstel introduceert een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief. Als een zelfstandige werkt tegen een tarief van minder dan EUR 38,– per uur, kan hij of zij straks een beroep doen op het vermoeden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat betekent niet dat iedere zelfstandige onder deze tariefgrens automatisch werknemer is.
Het gaat om een bewijsvermoeden. De zelfstandige kan zich op dat vermoeden beroepen, waarna het aan de opdrachtgever is om aan te tonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. De bewijslast verschuift dus naar de opdrachtgever. Die zal moeten onderbouwen dat de samenwerking in werkelijkheid zelfstandig is ingericht. Lukt dat niet, dan kan worden aangenomen dat sprake is van schijnzelfstandigheid.
Waarom is dit relevant voor opdrachtgevers?
Voor opdrachtgevers is vooral van belang dat het rechtsvermoeden de bewijspositie van zelfstandigen versterkt. Waar een zelfstandige nu zelf moet onderbouwen dat feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, wordt dat na invoering van het nieuwe rechtsvermoeden eenvoudiger. De opdrachtgever moet dan juist kunnen uitleggen waarom geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Daarbij zal niet alleen worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst van opdracht. De feitelijke uitvoering van de samenwerking blijft doorslaggevend. Een goed contract is dus belangrijk, maar niet per definitie voldoende. Als de dagelijkse praktijk lijkt op een regulier dienstverband, kan alsnog sprake zijn van een arbeidsovereenkomst.
Ook boven EUR 38 per uur risico op schijnzelfstandigheid
Het rechtsvermoeden geldt bij een laag uurtarief, maar dat betekent niet dat opdrachtgevers bij hogere tarieven geen risico lopen. Ook bij een tarief boven EUR 38 per uur kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst als de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft.
Het tarief is dus niet het enige criterium. Het nieuwe rechtsvermoeden geeft laagbetaalde zelfstandigen een extra instrument, maar de algemene kwalificatievraag blijft bestaan: werken partijen daadwerkelijk als opdrachtgever en opdrachtnemer, of is sprake van een arbeidsovereenkomst?
Met name de gezagsverhouding is in de praktijk vaak doorslaggevend. Wanneer een zelfstandige op dezelfde manier wordt aangestuurd als werknemers in loondienst, dezelfde werkzaamheden verricht binnen de organisatie en weinig vrijheid heeft om het werk zelfstandig in te richten, neemt het risico toe dat de arbeidsrelatie als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt.
Wat kunnen opdrachtgevers nu doen?
Hoewel de exacte datum van inwerkingtreding nog moet worden bepaald, is het verstandig om dit niet af te wachten. Opdrachtgevers doen er goed aan hun zzp-relaties tijdig te inventariseren en te beoordelen.
Het aangenomen wetsvoorstel maakt het voor laagbetaalde zelfstandigen eenvoudiger om een arbeidsovereenkomst te claimen. Bij een tarief van minder dan EUR 38 per uur kan een zelfstandige straks een beroep doen op het rechtsvermoeden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Vervolgens is het aan de opdrachtgever om te bewijzen dat sprake is van een overeenkomst van opdracht en de werkende daadwerkelijk een zzp’er is.
Voor opdrachtgevers is dit een belangrijk moment om bestaande zzp-relaties opnieuw te beoordelen. Niet alleen het contract, maar vooral de dagelijkse praktijk is daarbij van belang. Wie zelfstandigen inzet alsof zij werknemers zijn, loopt het risico dat achteraf toch sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst.
Heeft u vragen over het werken met zzp’ers, schijnzelfstandigheid of het nieuwe rechtsvermoeden op basis van uurtarief? Neem gerust contact op met een van onze arbeidsrechtadvocaten.